PJZ

Moeras- en watervogels

Moeras- en watervogels

De aalscholver is een opvallende grote en zwarte vogel. Hij wordt 90 cm lang, heeft een lange dikke hals en een forse snavel. Je vindt de aalscholver meestal op zee en in meren en ziet hem op zonnige plekken zitten met gespreide vleugels. Dat doet hij om zijn vleugels te laten drogen.

De bergeend is vooral kustbewoner. Hij broedt in holen en voedt zich met (week)diertjes uit zachte slikbodems. De bergeend vertoont zich als broedvogel echter steeds vaker in het binnenland, langs de grote rivieren en andere slikrijke gebieden.

De blauwe reiger kom je zowel op het platteland als in stedelijk gebied tegen, waar hij als een getraind opportunist zijn maaltijd weet bij elkaar te scharrelen. Blauwe reigers zijn niet kieskeurig, ze leven van vissen, kleine zoogdieren en amfibieën, maar ook vis en zelfs slachtafval staan op zijn menu.

Het meest opvallende aan de buidelmees is niet het zwarte gezichtsmasker, maar het nest dat de vogel bouwt. Dit nest is buidelvormig en bestaat uit zaadpluis van verschillende bomen.

De fuut komt als broedvogel voor in allerlei soorten wateren, van stadsparken en grachten tot duinmeren, moerasgebieden, randen van grote wateren en riviernatuur. Futen paren soms al vroeg in het jaar met spectaculaire baltsrituelen.

De gele kwikstaart is met zijn felgele verenkleed een vrolijke verschijning op onze Vlaamse akkers.

De grauwe gans is een stevige bruingrijze gans, de grootste van alle bruingrijze ganzensoorten.

De groenpootruiter is een middelgrote steltloper met lange, groengrijze poten en een licht opgewipte stevige snavel.

De grote Canadese gans is een gans uit Noord-Amerika en Canada die echter ook in België regelmatig terug te vinden is. Het gaat hier dan meestal om ooit ontsnapte volière- en parkvogels.

De grote gele kwikstaart is een zangvogel uit de familie kwikstaarten en piepers.

De grote zilverreiger is een opvallende verschijning; zijn verenkleed is helemaal wit en hij heeft een lange en dunne hals. Tijdens zijn vlucht herken je de grote zilverreiger aan zijn tragere vleugelslag en langere vleugels.

De ijsvogel is met zijn opvallend blauw en oranje kleuren een van de meest kleurrijke vogels in onze omgeving. In de natuur zal je de ijsvogel meestal eerst horen alvorens je hem te zien krijgt. De ijsvogel leeft in de omgeving van water en heeft zich gespecialiseerd in het vangen van kleine visjes.

De kleine mantelmeeuw leeft vooral aan de kust en in toenemende mate in het binnenland. Van de grote meeuwen die in ons land voorkomen hebben alleen de geelpootmeeuw en de kleine mantelmeeuw gele poten.

De kleine plevier is een pioniersoort. Hij vestigt zich rap op plekken die tijdelijk geschikt zijn om te broeden, zoals afgravingen, bouwplaatsen, opspuitingen, grindgaten.

De kleine zilverreiger is een middelgrote witte reiger die soms in kleine groepen leeft. Hij jaagt op vissen, amfibieën en insecten in ondiep water.

Knobbelzwanen stammen deels af van om hun dons gekweekte vogels, maar is ook inheems. Niet-broedende zwanen zijn veelal op weilanden te zien, waar ze zich tegoed doen aan gras. Beide partners van een broedpaar zijn elkaar meestal een leven lang trouw.

De kokmeeuw is sterk afgenomen, maar nog steeds talrijk in Vlaanderen. In de winter is het de kleine meeuw met 'koptelefoontje' die je in de stad aantreft. In het voorjaar en zomer heeft de kokmeeuw een chocoladebruin kopkap. Een kokmeeuw is na twee jaar volwassen.

Krakeenden zijn nauw verwant aan de wilde eend en komen hier en daar zelfs in steden voor.

Mannetjes zijn opvallend zwart met witte flanken, vrouwtjes overwegend bruin met lichtere flanken. Zowel mannetjes als vrouwtjes hebben een kuif, maar deze is bij mannetjes langer.

De Lepelaar is een onmiskenbare grote, witte ibisachtige met een lange, platte, aan het uiteinde lepelvormige snavel en zwarte poten.

Een meerkoet is herkenbaar aan het witte veld op het voorhoofd en aan land aan de lange, groen-blauwe tenen met een aantal zwemvliezen langs de kant.

De Nijlgans, ook wel eens Egyptische Gans genoemd, is in onze streken een relatief nieuwe soort. Algemeen is de verwachting dat hij nog fors zal gaan toenemen in aantal. Zie je een gans in een boom, dan betreft het vrijwel altijd een Nijlgans. Met veel lawaai zal hij het nest of de jongen verdedigen tegen een mogelijke aanvaller.

Scholeksters zijn stevig gebouwde, zwart-witte steltlopers die vaak aan de kust, maar ook algemeen in het binnenland worden aangetroffen.

Kenmerkend voor de slobeend is de brede platte snavel.

Tafeleenden zijn duikeenden die vooral in de herfst, winter en het vroege voorjaar in Vlaanderen te zien zijn.

Waterhoentjes zijn donker van kleur met een rode snavel en een rood blesje op het voorhoofd. De punt van de snavel is geel van kleur. Op de flanken hebben ze witte strepen. In tegenstelling tot meerkoeten beschikken ze niet over zwemvliespoten.

De waterral is een wat geheimzinnige, schaarse broedvogel die zich zelden laat zien, maar zich wel laat horen !

De watersnip is een zeldzame weidevogel, maar op trek nog regelmatig te zien. Vertrouwt bij verstoring lang op zijn schutkleur, maar vliegt op tijd weg met een zigzaggend vlucht, roept daarbij kenmerkend 'skrètsj...skrètsj...'.

De wilde eend is een algemeen voorkomende watervogel die veel te vinden is in parken en vijvers.

Print Friendly, PDF & Email
Share