PJZ

Vlinders

Vlinders

Dagvlinders

De aardbeivlinder vliegt vooral in de maand mei en is te herkennen aan het witte ‘kiesje’ op de achtervleugel.

De argusvlinder is een bruine vlinder uit de familie van de zandoogjes en is genoemd naar Argus, de reus met de vele ogen.

Met een spanwijdte van 5 tot 6 cm is de atalanta een vrij grote en opvallende vlinder. Daarenboven is deze gemakkelijk te herkennen. Het is een zwarte vlinder met twee schuine rode banden op zijn vleugels en bovenaan wat witte vlekken en wat blauwe stippen aan de vleugelrand.

Het bleek blauwtje houdt van kalkgraslanden en is in België dan ook vooral in het uiterste zuiden van het land te vinden.

Het bont dikkopje komt voor in grote delen van Europa voor, waaronder Vlaanderen, waar hij echter wel bedreigd is.

Deze bosrandvlinder heeft de voorbije decennia ook talloze tuinen gekoloniseerd en behoort nu tot de vrij algemene tuinvlinders.

Het boomblauwtje is het enige blauwtje dat ook middenin Vlaamse stadscentra voorkomt.

Het boswitje is een klein, teer witje waarbij de vorm van het vleugels opvalt: ze zijn erg mooi afgerond. Het lijf verdwijnt in rust vaak tussen de vleugels.

Het Bruin blauwtje is een pioniersoort die vrij snel geschikte gebieden kan koloniseren. Nieuwe (industrie)terreinen, wegbermen of braakliggende akkers met een open vegetatie creëren goede situaties voor deze soort indien ook de waardplanten er aanwezig zijn.

Het bruin zandoogje is een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt.

De citroenvlinder is één van de eerste vlinders die je in de lente te zien krijgt. Hoewel, met zijn vleugels die op blaadjes lijken, is hij erg goed gecamoufleerd en als hij tussen de bladeren zit, maar moeilijk waar te nemen.

De dagpauwoog, waarvan de prachtige vlekkentekening doet denken aan die van een pauw, is één van de algemene soorten dagvlinders in Vlaanderen.

Door het zwart-witte dambordpatroon, wat ook meteen de naam verklaart, is deze vlinder heel gemakkelijk te herkennen.

De distelvlinder is een trekvlinder, die bij ons te zien is vanaf mei tot oktober. Met zijn oranjebruine, gevlekte vleugels is hij niet te verwarren met andere vlinders.

Het Geelsprietdikkopje is een onopvallend gekleurd vlindertje, typisch voor structuurrijke, ruigere en wat schralere graslanden.

De gehakkelde aurelia dankt zijn naam aan de gekartelde rand aan zijn vleugels. Wanneer de vlinder rust tussen verdorde bladeren, zorgt deze rand en de bruine onderkant van de vleugels voor een uitstekende camouflage.

Het groentje komt algemeen voor in heel Europa, Noord-Afrika en Oost-Azië op schrale graslanden, heiden en bosgebieden. In België is de soort beperkt tot de Kempen en Wallonië in het zuid-oosten van het land.

Sommigen zullen hem als een nachtvlinder aanzien, maar het groot dikkopje is wel degelijk een dagvlinder.

Het groot koolwitje is in ons land de grootste van de familie der witjes. De vlinders hebben op de bovenkant van de voorvleugel een zwarte randvlek die zich uitstrekt van de top tot over de helft van de vleugel.

De grote parelmoervlinder heeft behoefte aan een groot leefgebied met viooltjes en ruige plekken.

Hoewel het heideblauwtje zeker geen algemene vlinder is, kunnen ze soms wel massaal aanwezig zijn als een plek geschikt is.

De heivlinder heeft een voorkeur voor open en afwisselend heidelandschap.

Het hooibeestje is een klein geelbruin vlindertje. Op zijn voorste vleugel heeft hij een zwart met wit oogje.

Het icarusblauwtje is vooral een graslandvlinder, die vrij algemeen voorkomt op bloemrijke plaatsen.

De kleine ijsvogelvlinder is een goed herkenbare, zwarte vlinder met witte band over de bovenkant van de vleugels. Van onderen is hij oranjebruin met witte vlekken.

De kleine parelmoervlinder is een schaarse standvlinder die voornamelijk voorkomt in de kuststreek. In de zomermaanden kan de kleine parelmoervlinder echter over grote afstanden zwerven. Vandaar dat hij ook af en toe in het binnenland wordt gezien.

De kleurrijke kleine vos is een dagvlinder uit de familie van de aurelia’s en is een algemene standvlinder in Vlaanderen.

De kleine vuurvlinder, een vrij kleine vlinder zoals de naam al aangeeft, vliegt hier in drie generaties. Vliegend is hij moeilijk te herkennen, maar van zodra hij gaat zitten, opent hij zijn vleugels en maakt de warme oranje kleur snel duidelijk om wie het hier gaat.

Het klein geaderd witje is een zeer mobiele vlinder, die migreert binnen het areaal. De soort heeft echter minder trekneigingen dan het klein koolwitje en het groot koolwitje.

Het kleine koolwitje heeft op de bovenkant van de voorvleugels een kleine driehoekige zwarte puntvlek, vanaf de onderkant van de vleugel is deze vlek eveneens zichtbaar.

In tegenstelling tot de meeste dagvlinders zoekt het koevinkje bij warm en zonnig weer graag de schaduw op !

De kommavlinder heeft een voorkeur voor open schraal grasland en een groot nectaraanbod; vergrassing is zijn grootste vijand.

De onderkant van de vleugels is een netwerk van lijnen en daar dankt deze vlinder zijn naam aan. In het voorjaar ziet de vlinder er anders uit dan in de zomer !

Het mannetje van het oranjetipje kun je heel makkelijk herkennen. Als je goed kijkt dan zie je dat hij oranje punten op zijn vleugels heeft! De vrouwtjes hebben die niet en lijken daarom veel op de witjes.

Zandoogjes zijn middelgrote vlinders die hun naam danken aan zwarte vlekken met witte kern (‘oogjes’) die ze vertonen. Bij het oranje zandoogje zie je die vlek nabij de punt van de voorvleugel.

Het tweekleurig hooibeestje is een mooi getekend vlindertje, dat kan worden gevonden in graslanden en langs bosranden.

Het Zwartsprietdikkopje komt voor in graslanden met een vrij hoge en ruige vegetatie, zoals wegbermen of brede bospaden.

Tuinvlinders 2016

Tuinvlinders 2015

Print Friendly, PDF & Email
Share