PJZ

Vogels

Vogels

De aalscholver is een opvallende grote en zwarte vogel. Hij wordt 90 cm lang, heeft een lange dikke hals en een forse snavel. Je vindt de aalscholver meestal op zee en in meren en ziet hem op zonnige plekken zitten met gespreide vleugels. Dat doet hij om zijn vleugels te laten drogen.

De appelvink is een fraai gekleurde, forse vink met een krachtige snavel. Met haar dikke, oranje kop en grijze stierennek oogt de vogel wat clownesk.

De bergeend is vooral kustbewoner. Hij broedt in holen en voedt zich met (week)diertjes uit zachte slikbodems. De bergeend vertoont zich als broedvogel echter steeds vaker in het binnenland, langs de grote rivieren en andere slikrijke gebieden.

De blauwe reiger kom je zowel op het platteland als in stedelijk gebied tegen, waar hij als een getraind opportunist zijn maaltijd weet bij elkaar te scharrelen. Blauwe reigers zijn niet kieskeurig, ze leven van vissen, kleine zoogdieren en amfibieën, maar ook vis en zelfs slachtafval staan op zijn menu.

De boerenzwaluw heeft een schitterend verenkleed met metaalglans, hij voert snelle, sierlijke vluchten uit en is een opvallende en welkome verschijning tijdens de zomermaanden.

De bonte vliegenvanger is een zwart-witte zangvogel die graag in nestkasten broedt. De soort brengt veel tijd door in de boomkruinen.

De boomklever is een echte bosvogel. Hij klautert schokkerig maar behendig alle richtingen uit op boomstammen, ook ondersteboven.

De boomkruiper is een kleine vogel, die wat wegheeft van een kleine, bruine muis die met schokjes langs de ruwe boomschors naar omhoog klautert, op zoek naar insecten en spinnen.

De boompieper is een insectenetende zangvogel uit de familie piepers en kwikstaarten.

De Bruine Kiekendief is een sierlijke roofvogel met slanke vleugels en een lange staart.

De buizerd is een middelgrote tot grote roofvogel, uit de familie van de havikachtigen die vrij algemeen voorkomt in België,

De ekster is met zijn zwart-wit verenkleed en zeer lange, groenglanzende staart een onmiskenbare vogel. De ekster bouwt vaak overdekte nesten.

De fazant is in grote delen van Europa uitgezet als jachtwild. Mannetjes hebben een lange pluimstaart en een rode naakte huid.

De fitis en de tjiftjaf zijn tweelingsoorten, dat wil zeggen, dat ze uiterlijk zeer op elkaar lijken.

De fuut komt als broedvogel voor in allerlei soorten wateren, van stadsparken en grachten tot duinmeren, moerasgebieden, randen van grote wateren en riviernatuur. Futen paren soms al vroeg in het jaar met spectaculaire baltsrituelen.

De gaai is een luidruchtige, bont gekleurde vogel met een opvallend witte stuit. Hij legt een wintervoorraad aan van eikels en beukennootjes.

Volwassen mannetjes hebben een oranjerode borst, zwarte keel, wit voorhoofd en grijze kruin en mantel. Vrouwtjes zijn minder opvallend getekend en hebben een grijsbruine rug en een beige onderzijde. Beide geslachten hebben een roestrode staart.

De gele kwikstaart is met zijn felgele verenkleed een vrolijke verschijning op onze Vlaamse akkers.

De goudhaan is met z’n 8,5 cm het kleinste vogeltje van Europa. Ze hebben een uitgesproken voorkeur voor sparren.

Net als de braamsluiper heeft de grasmus een opvallende witte keel, maar wel een iets lichter grijze kopkap.

De Graspieper lijkt wel wat op een Veldleeuwerik, maar verschilt er toch veel van. Graspiepers vind je op de grond, ze zullen niet zo hoog zingen als de leeuwerik.

De grauwe gans is een stevige bruingrijze gans, de grootste van alle bruingrijze ganzensoorten.

Grauwe vliegenvangers houden zich vooral op in bosranden en open bossen. Vanaf één of meerdere vaste uitkijkposten maken ze korte snelle vluchten achter vliegende insecten aan, die vaak in de lucht gevangen worden of van bladeren worden afgepikt.

De groene specht is onmiskenbaar door zijn knalrode kruin en zwart masker. Ze verraadt haar aanwezigheid vooral door haar lachende roep.

Groenlingen doen hun naam eer aan: ze laten zich herkennen aan allerlei tinten groen in hun verenkleed.

De grote bonte specht is de meest algemene specht in Vlaanderen. Met haar zwart-wit verenkleed en de rode broek is het een bekende verschijning.

De grote Canadese gans is een gans uit Noord-Amerika en Canada die echter ook in België regelmatig terug te vinden is. Het gaat hier dan meestal om ooit ontsnapte volière- en parkvogels.

De grote gele kwikstaart is een zangvogel uit de familie kwikstaarten en piepers.

De grote zilverreiger is een opvallende verschijning; zijn verenkleed is helemaal wit en hij heeft een lange en dunne hals. Tijdens zijn vlucht herken je de grote zilverreiger aan zijn tragere vleugelslag en langere vleugels.

De halsbandparkiet is een middelgrote, grasgroene, luidruchtige parkiet met een korte, rode haaksnavel. De soort is afkomstig uit Centraal-Afrika en Zuid-Azië.

De heggenmus is een talrijke maar onopvallende zangvogel. Hij verlaat niet graag de directe omgeving van het struikgewas.

De Holenduif lijkt sterk op de iets grotere broer, de Houtduif. Maar waar deze laatste op vleugels en in de nek wit heeft, mist de Holenduif dat. De Holenduif is een grijze duif met een groene vlek in de nek.

De houtduif is in Vlaanderen de meest algemene en grootste duif. Ze is vooral bekend door haar witte halsvlek en haar ritmisch gekoer.

De huismus is een algemene en zeer bekende broedvogel in dorpen en steden. Stevig gebouwd, met grote snavel en verhoudingsgewijs grote kop.

De ijsvogel is met zijn opvallend blauw en oranje kleuren een van de meest kleurrijke vogels in onze omgeving. In de natuur zal je de ijsvogel meestal eerst horen alvorens je hem te zien krijgt. De ijsvogel leeft in de omgeving van water en heeft zich gespecialiseerd in het vangen van kleine visjes.

De kauw is een luidruchtige, gedrongen vogel, zwart met een grijs achterhoofd. Hij is vooral bekend doordat hij in schouwen en op kerkzolders broedt.

Die kievit is met zijn kenmerkende roep, zijn acrobatische baltsvluchten en zijn fraaie kuif een opmerkelijke weide- en akkervogel.

De kleine mantelmeeuw leeft vooral aan de kust en in toenemende mate in het binnenland. Van de grote meeuwen die in ons land voorkomen hebben alleen de geelpootmeeuw en de kleine mantelmeeuw gele poten.

De kleine plevier is een pioniersoort. Hij vestigt zich rap op plekken die tijdelijk geschikt zijn om te broeden, zoals afgravingen, bouwplaatsen, opspuitingen, grindgaten.

De kleine zilverreiger is een middelgrote witte reiger die soms in kleine groepen leeft. Hij jaagt op vissen, amfibieën en insecten in ondiep water.

De kneu is een kleine vinkensoort, kleiner dan huismus. Man heeft een warmbruine rug en in prachtkleed een karmijnrode borst en 'baret'.

Knobbelzwanen stammen deels af van om hun dons gekweekte vogels, maar is ook inheems. Niet-broedende zwanen zijn veelal op weilanden te zien, waar ze zich tegoed doen aan gras. Beide partners van een broedpaar zijn elkaar meestal een leven lang trouw.

De kokmeeuw is sterk afgenomen, maar nog steeds talrijk in Vlaanderen. In de winter is het de kleine meeuw met 'koptelefoontje' die je in de stad aantreft. In het voorjaar en zomer heeft de kokmeeuw een chocoladebruin kopkap. Een kokmeeuw is na twee jaar volwassen.

De koolmees is één van de talrijkste tuinvogels. Met zijn gitzwart petje, witte wangen en citroengele buik, is het een gemakkelijk herkenbare soort.

Mannetjes zijn opvallend zwart met witte flanken, vrouwtjes overwegend bruin met lichtere flanken. Zowel mannetjes als vrouwtjes hebben een kuif, maar deze is bij mannetjes langer.

De kuifmees is met haar markante zwart-witte koptekening en de spitse, driehoekige kuif een fraaie vogel. De soort komt enkel in Europa voor.

De Lepelaar is een onmiskenbare grote, witte ibisachtige met een lange, platte, aan het uiteinde lepelvormige snavel en zwarte poten.

Een meerkoet is herkenbaar aan het witte veld op het voorhoofd en aan land aan de lange, groen-blauwe tenen met een aantal zwemvliezen langs de kant.

De merel is één van de meest algemene vogels in België. Met zijn gitzwart verenkleed en oranjegele snavel is de forse lijster onmiskenbaar.

Een spechtensoort in opmars is de middelste bonte specht. Maar het is nog steeds de zeldzaamste in vergelijking tot de grote en kleine bonte specht.

De Nijlgans, ook wel eens Egyptische Gans genoemd, is in onze streken een relatief nieuwe soort. Algemeen is de verwachting dat hij nog fors zal gaan toenemen in aantal. Zie je een gans in een boom, dan betreft het vrijwel altijd een Nijlgans. Met veel lawaai zal hij het nest of de jongen verdedigen tegen een mogelijke aanvaller.

De pimpelmees is met zijn blauwe petje en gele buik één van de bekendste tuinvogels. De zang wordt omschreven als een zilveren lachje.

De putter heeft een vuurrood gezicht en inktzwarte vleugels met een gele streep. De vogel is een vrolijke kwetteraar die vaak voedsel zoekt op distels.

De roodborst is met zijn opgerichte houding, rond lichaam en rode borst een onmiskenbare vogel. De soort komt vaak in tuinen voor.

Scholeksters zijn stevig gebouwde, zwart-witte steltlopers die vaak aan de kust, maar ook algemeen in het binnenland worden aangetroffen.

De sijs is een geelgroene, kleine en sierlijke neef van de putter.

Kenmerkend voor de slobeend is de brede platte snavel.

De sperwer is een kleine, schuwe roofvogel die vaak uit het niets opduikt en een supersnelle aanval uitvoert op de vogels op en rond je voedertafel.

De spreeuw is een luidruchtige, zwartglanzende vogel met een spitse snavel. Na het broedseizoen zoeken ze elkaar op en vormen soms zeer grote groepen.

De staartmees lijkt op een pluizig bolletje wol met een aangeplakte staart. Ze trekt meestal in kleine familiegroepjes snel en rusteloos door de tuin.

De steenuil is de kleinste nachtroofvogel van de Benelux.

Tafeleenden zijn duikeenden die vooral in de herfst, winter en het vroege voorjaar in Vlaanderen te zien zijn.

De tjiftjaf is een kleine, onopvallend bruin-geel-groen gekleurde vogel. In het voorjaar en de vroege zomer bijna overal horen.

De Turkse tortel is een elegant, bruingrijs duifje met een zwart nekband. De soort werd pas in 1952 voor het eerst in België waargenomen.

De vink is met zijn grijsblauw petje, roestrode borst en witte vleugelstrepen een bekende tuinvogel. De zang eindigt (bij ons) vaak op suskewiet.

Waterhoentjes zijn donker van kleur met een rode snavel en een rood blesje op het voorhoofd. De punt van de snavel is geel van kleur. Op de flanken hebben ze witte strepen. In tegenstelling tot meerkoeten beschikken ze niet over zwemvliespoten.

De waterral is een wat geheimzinnige, schaarse broedvogel die zich zelden laat zien, maar zich wel laat horen !

De watersnip is een zeldzame weidevogel, maar op trek nog regelmatig te zien. Vertrouwt bij verstoring lang op zijn schutkleur, maar vliegt op tijd weg met een zigzaggend vlucht, roept daarbij kenmerkend 'skrètsj...skrètsj...'.

De wilde eend is een algemeen voorkomende watervogel die veel te vinden is in parken en vijvers.

De winterkoning is één van de kleinste broedvogels in Europa. Met zijn opgewipt staartje en heldere zang is het een opvallende verschijning.

De witte kwikstaart is vooral op het platteland te vinden. Op erven maar ook tussen de poten van koeien, paarden en schapen in de hoop dat die insecten of larven omhoog duwen. De witte kwikstaart beweegt voortdurend zijn staartje heen en weer. Broeden doen ze in schuren, nissen, onder dakpannen, maar ook in slootkanten.

De zanglijster is een bruine lijster met een gevlekte buik. Ze is vooral bekend om haar rijke, luide zang en haar voorkeur voor slakken.

De zwarte kraai is een zeer intelligente en vindingrijke vogel. De soort is bij veel mensen (meestal ten onrechte) niet bijzonder populair.

De zwarte mees is een kleine, onopvallende mees die zich vaak hoog in naaldbomen ophoudt. Soms wordt ons land in het najaar overspoeld door zwarte mezen.

De zwartkop is een muisgrijze zangvogel met een gitzwart ‘petje’. Vrouwtjes hebben een roodbruin petje. De zang is luid en zeer melodieus.

Een juveniele sperwer en havik nemen samen een verfrissend bad !

Print Friendly, PDF & Email
Share